Op naar een duurzame wereldeconomie

Activiteiten   [maxbutton id=”1″ text=”∧” url=”#up”] [maxbutton id=”1″] [maxbutton id=”1″ text=”2″ url=”#2″] [maxbutton id=”1″ text=”3″ url=”#3″]

Het model hiernaast geeft de menselijke activiteit weer in het midden van de ecologische omgeving. Dat wil niet zeggen dat de menselijke activiteit het middelpunt van de wereld is. Nee de menselijke economie kan slechts bestaan binnen de ecologische omgeving. De economie staat dus niet los van de omgeving, de economie bestaat in de ecologische omgeving.

De vraag is daarmee in hoeverre wordt dit erkent in bijvoorbeeld het BNP? Zijn er indicatoren binnen het BNP die rekening houden met het welzijn van het grotere systeem?

Ontwerpen we productieprocessen, markten en beleid die de realiteit van onderlinge afhankelijkheid weerspiegelen?

Voorlopige antwoorden op deze vragen zijn te vinden door een paar andere conceptuele verschillen te onderzoeken tussen de duurzaamheid en conventionele modellen.

 

De ontwikkeling, economische groei en milieukosten van het huidige economische systeem onder de loep nemen.

Criteria creëren om onderscheid te maken tussen mondiale economische ontwikkeling en lokaal duurzaam economisch ontwerp.

Flip-over vellen, stiften, papierlijm

  1. Verdeel, na een korte introductie van het bovenstaande model,  de klas in vier werkgroepen en vraag ze om een facilitator voor hun groep te kiezen. Iedere groep krijgt 30 minuten voor een discussie over een van de volgende onderwerpen:
    • Volledige kostenberekening: In de conventionele economie worden indirecte of onbedoelde effecten zoals vervuiling beschouwd als “externaliteiten”. De CO2-uitstoot van het rijden wordt bijvoorbeeld niet meegerekend in de prijs van benzine. Het opruimen van afval wordt niet weerspiegeld in de prijs van een consumentenartikel, waardoor een verborgen financiering wordt gecreëerd die ze kunstmatig goedkoper maken. Een duurzaamheidsmodel benadert dit op een andere manier en probeert de externe milieu- en maatschappelijke kosten te kwantificeren met behulp van een “full cost benadering”. Bespreek wat de werkelijke waarde is van deze onontbeerlijke hulpbronnen, zodat markten gaan werken met nauwkeurigere prijsweergaves. Welke hulpbronnen biedt een ecosysteem? Hoeveel kost het om een bos te vervangen? Hoeveel is schoon water waard? Hoe berekenen we de gezondheid van mensen bij ongezond of zelfs giftig werk?
    • De Commons: zijn hulpbronnen die toegankelijk zijn voor alle leden van een groep of samenleving. Lucht en water zijn voorbeelden van “milieu-commons” waarvan alle levende wezens afhankelijk zijn, maar die beperkt voorradig zijn en/of aangetast door overmatig gebruik. Hoe we deze behoeften eerlijk verdelen – en of we ze als basisrechten kunnen erkennen – zijn de beleidsvragen rond ‘de Commons’.
      In het oude model wordt overmatig gebruik van de Commons vaak gezien als de onvermijdelijke ‘tragedie’ van openbare toegang. Wat betekent dit?
      Duurzaamheid erkent ook het risico van overmatig gebruik en zoekt naar beleidsoplossingen die rechtvaardig zijn en de hulpbronnen ondersteunen; dit kan een mix van marktwerking, regelgeving, culturele normen en gemeenschapseigendom zijn. Hoe zien deze eruit?
    • Langetermijn- versus kortetermijnrendement: Binnen de duurzaamheid wordt erkent dat op de lange termijn het welzijn van de menselijke, economische en ecologische gezondheid in tijd, plaats en schaal met elkaar verbonden zijn. In deze visie worden kortetermijnacties beoordeeld op basis van de langetermijn gevolgen ervan. Het oude model daarentegen heeft de neiging zich te concentreren op kortetermijn rendementen: winst, bruto nationaal product (bnp) of aandelenrendement. En hoewel deze kortetermijnmaatregelen zeker van belang zijn in een duurzaamheidsmodel, definiëren ze niet ‘succes’ in dezelfde mate als in het oude model. Wat definieert succes in een duurzaamheidsmodel? Wat zijn enkele kortetermijnacties met gevolgen op de lange termijn?
    • Kwaliteit versus kwantiteit (“Meer versus beter”): Zowel de duurzame als conventionele economie houden zich bezig met welzijn. Het duurzaamheidsmodel meet het welzijn door kwalitatieve verbeteringen in gezondheid, geluk en bevrediging van de echte behoeften. Aan de andere kant neigt het oude model naar stimulering van kwantitatieve groei, met de veronderstelling dat “meer” “beter” is. Denk bijvoorbeeld aan het bnp: een stijging van het bnp wordt als goed nieuws beschouwd, maar het bnp kan ook stijgen als een resultaat van uitgaven aan bestrijding van criminaliteit, ziekte of noodzakelijke schoonmaakkosten ana een milieuramp. De indicator maakt geen onderscheid tussen gunstige economische groei en “winst” die wordt behaald door uitgaven aan negatieve zaken zoals bijvoorbeeld criminaliteit. Duurzaamheidsindicatoren daarentegen bekijken economische groei in een breder kader van welzijn van de gemeenschap en het milieu. Wat kunnen enkele duurzaamheidsindicatoren zijn voor dit welzijn?
  2. Laat de leerlingen een infographic maken van hun bevindingen. Elke leerling maakt op een A4 een deel van de infographic deze worden later op een flipovervel aan elkaar geplakt. De coördinatie van de groep ligt bij de facilitator.
  3. Hang de gemaakte infographics op en laat de leerlingen hun bevindingen presenteren aan de klas.

Nabespreking van deze activiteit kan het beste met de hele groep gezamenlijk worden gedaan zodat iedereen deel kan nemen aan de dialoog over afval, vervuiling en de levenscyclus van producten.

Leerlingen: Vraag na de presentaties aan de leerlingen wat ze geleerd hebben over de werking van de wereldeconomie en waar deze verduurzaamd zou kunnen worden. Hoe verhoud zich dit tot de rest van de gemeenschap? Tot de rest van de wereld? Wat was het belangrijkst in wat er in deze activiteit gebeurde? Wat hebben ze gemist?

Facilitators: Wat heeft u opgemerkt tijdens deze activiteit? Hoe goed hebben deelnemers het gedaan? Begrepen ze de aanwijzingen? Zijn er risico’s of onvoorziene resultaten naar voren gekomen? Wat zou u de volgende keer anders doen?

SDGoals

1: No Poverty

2: Zero Hunger

3: Good Health and Well-Being for people

4: Quality Education

5: Gender Equality

6: Clean Water and Sanitation

7: Affordable and Clean Energy

8: Decent Work and Economic Growth

9: Industry, Innovation and Infrastructure

10: Reduced Inequalities

11: Sustainable Cities and Communities

12: Responsible Consumption and Production

13: Climate Change

14: Life Below Water

15: Life on Land

16: Peace, Justice and Strong Institutions

17: Partnerships for the Goals

Leeftijdsadvies (Kind - Jeugd- Volwassen)

Jeugd – Volwassen

  • Hoofd – Cognitief – Concepten 90% 90%
  • Handen – Vaardigheden – Skills 50% 50%
  • Hart – Attitude – Gedrag 75% 75%
  • Samenleven – Community 90% 90%
Play Video