Meneer Tesfa staat bij het raam voor zich uit te mijmeren. Zoals elke dag zwaai ik als ik zijn huis voorbij loop. Hij kijkt op en lacht als hij mij ziet, maar in zijn ogen staat verdriet. Hij slaagt er maar niet in om in ons land te aarden, onder de waterige hemel, in deze grauwe buurt van steen en beton.

 

Dit voorjaar groette ik hem voor het eerst, terwijl hij met gebogen rug in zijn moestuintje aan het schoffelen was. Hij bood me een kop thee aan en even later zaten we gemoedelijk te praten op het bankje voor zijn huis. Toen ik zijn bonenplanten bewonderde, begon hij me te vertellen over het stuk grond in zijn thuisland, waar zijn familie generaties lang hun eigen voedsel had verbouwd. Hun leven in Ethiopië was eenvoudig geweest, maar ze hadden genoeg om van te leven. Tot hun land in handen kwam van een grote koffieplantage. Hij schudde verdrietig zijn hoofd en ik begreep dat zijn postzegeltuintje op duizenden kilometers afstand van zijn thuisland een schrale troost moest zijn.

 

Sindsdien spreken we elkaar vaker. Dankzij onze ontmoetingen leer ik met andere ogen kijken naar het leven in de westerse maatschappij. Dat is volgens Tesfa niet ontwikkeld en welvarend, maar verarmd en wereldvreemd. Dat hoort hij aan hoe we praten, omdat taal bepaalt hoe we ons als mensen tot de aarde verhouden. Wanneer we ‘lekker de natuur in gaan’ zien we volgens hem vooral een plek om ons te vermaken en niet onze natuurlijke leefomgeving, waar we deel van zijn. En komt diezelfde natuur in het nieuws, dan gaat het vaak over oprakende ‘hulpbronnen’. Zijn we gaan geloven dat de natuur ondergeschikt is aan mensen? En zijn we de aarde daardoor gaan zien als een bodemloze put? Wat een contrast met Tesfa zijn voorouders, die de natuur altijd hebben gerespecteerd als een levend systeem, waarin alles met elkaar samenhangt. Ze maakten dankbaar gebruik van de overvloed die Moeder Aarde voortbracht, maar respecteerden haar grenzen, want ze wisten dat ze van haar afhankelijk waren.

 

Ondertussen houdt de oude meneer Tesfa zich dapper en eigenwijs staande. Niet door zich aan te passen, maar door vast te houden aan zijn principes, en vooral: de hoop niet op te geven. Dat is misschien wel de belangrijkste les die hij me bijbracht. “Tesfa betekent hoop in onze taal”, had hij me op een dag verteld. Hij biedt wanhoop en weemoed het hoofd door zich te verbinden met de kleine stukjes natuur om zich heen: de kwetterende vogels op het dak, een voorbij fladderende vlinder, en natuurlijk de groeiende gewassen in zijn tuintje. Op zijn eigen wijze luistert hij nog altijd naar de Stem van de Aarde en zo houdt hij zijn familienaam dag na dag in ere.

Play Video